NTKC.NL





Print deze pagina

B. REGLEMENT VOOR DE CLUBTERREINEN

(Vastgesteld op de ALV van 30 september 1995 te Austerlitz)

Inhoud:

B.1 Beheer
B.2 Toegang
B.3 Kampregels
B.4 Kampmeester
B.5 Slotbepaling

B.1. Beheer (artikel 12.3 en 16.2 van de statuten)

Art. B.1.1. De clubterreinen worden namens het hoofdbestuur beheerd door een afdeling.

Art. B.1.2. Het hoofdbestuur stelt per terrein een terreinbewaarder aan die zo dicht mogelijk bij het betreffende terrein woont. Bij deze berusten de sleutels en het kampregister gedurende de tijd dat er geen gebruik wordt gemaakt van het terrein. De terreinbewaarder is niet noodzakelijkerwijs lid van de vereniging.
De taak van de terreinbewaarder wordt vastgesteld door het hoofdbestuur in overleg met het afdelingsbestuur dat het terrein beheert. De terreinbewaarder ontvangt een door het hoofdbestuur vast te stellen vergoeding.

Art. B.1.3. Het hoofdbestuur bepaalt het beleid met betrekking tot het beheer van de clubterreinen en stelt daartoe regels op ten aanzien van inrichting, financieel beheer, investeringen, planning onderhoud en dergelijke.

Art. B.1.4. Op grond van het in artikel B.1.3 bedoelde beleid wordt voor elk terrein door het afdelingsbestuur, desgewenst onder gebruikmaking van advies van deskundigen, een meerjarenplan opgesteld, respectievelijk periodiek bijgesteld. Dit meerjarenplan behoeft de goedkeuring van het hoofdbestuur.
Het meerjarenplan vormt de basis voor de inrichting en het onderhoud van het clubterrein.

Art. B.1.5. Het afdelingsbestuur benoemt een of meer van zijn leden tot terreincommissaris. De terreincommissaris, al dan niet gesteund door een terreincommissie, onderhoudt de contacten met de terreinbewaarder, organiseert het onderhoud van de terreinen en is in algemene zin verantwoordelijk voor het beheer van gebouwen en beplantingen.

Art. B.1.6. Indien een afdeling meer clubterreinen beheert kan binnen het bestuur per terrein een terreincommissaris worden benoemd, of een terreincommissaris voor de terreinen tezamen die dan per terrein gesteund wordt door een terreincommissie.

Art. B.1.7. Het financiŽle beheer met betrekking tot een clubterrein is ondergebracht bij de afdelingspenningmeester.

B.2. Toegang (artikel 2.1 van de statuten)

Art. B.2.1. Toegang tot de clubterreinen hebben leden, kennismakingsleden en hun gezinsleden indien zij in het bezit zijn van een geldig bewijs van lidmaatschap.

Art. B.2.2. Voorts hebben toegang:
a. introducťs;
b. leden van de zusterorganisaties Camping Club de France en The Camping and Caravanning Club Ltd, kamperend met een tent en mits zij zich houden aan de clubcode. Indien zij niet met een tent kamperen hebben zij uitsluitend toegang op uitnodiging;
c. passanten, zoals lange-afstandwandelaars en individuele leden van Scouting Nederland, mits zij zich houden aan de clubcode. Zij kunnen worden geÔntroduceerd door de kampmeester of door een ander lid van de vereniging;
d. niet-leden die in noodgevallen s avonds laat binnenkomen. Hun wordt die nacht, ongeacht hun kam peermiddel behoudens kampeer- auto, indien mogelijk gastvrijheid geboden, dit ter beoordeling van de kampmeester.

Art. B.2.3. Gezinsleden jonger dan 14 jaar mogen 4lleen van de clubterreinen gebruik maken onder geleide van een lid van i6 jaar of ouder, behoudens dispensatie door het dagelijks bestuur.

Art. B.2.4. Bezoekers betalen kampgeld indien hun bezoek langer dan twee uur duurt.
Bezoek van niet-leden is incidenteel toegestaan en mag nimmer het aanzien van dagrecreatie krijgen, dit ter beoordeling van de kampmeester.

Art. B.2.5. Voor het overige hebben toegang tot de clubterreinen al diegenen die daartoe schriftelijk toestemming van het dagelijks bestuur of het afdelingsbestuur hebben verkregen.

Art. B.2.6. Het op de clubterreinen bedrijven van commerciŽle activiteiten in de ruimste zin van het woord is niet toegestaan, tenzij met uitdrukkelijke toestemming van het dagelijks bestuur.

B.3. Kampregels (artikel 2.3 van de statuten)

Art. B.3.1. De voor het kamperen op de clubterreinen algemeen geldende regels zijn opgenomen in het reglement voor de clubcode.

Art. B.3.2. Afdelingen mogen voor onder hun beheer vallende clubterreinen aanvullende kampregels vaststellen. Deze mogen niet in strijd zijn met de statuten en reglementen.
Voor deze aanvullende bepalingen is de goedkeuring van het hoofdbestuur vereist.
Zij worden van kracht na publikatie in het cluborgaan en dienen duidelijk zichtbaar op het clubterrein aanwezig te zijn. De voor een clubterrein geldende aanvullende kampregels dienen tenminste eens per vijf jaar te worden heroverwogen.

B.4. Kampmeester (artikel 16.4 van de statuten)

Art. B.4.1. De leiding op een clubterrein berust bij een kampmeester.

Art. B.4.2. Kampmeesters worden aangezocht door het afdelingsbestuur waaronder het terrein ressorteert.

Art. B.4.3. Op een terrein waar geen door het afdelingsbestuur aangezochte kampmeester aanwezig is fungeert het eerst aanwezige meerderjarige lid als kampmeester.

Art. B.4.4. Kampmeesters, zowel zij die deze taak bij afwezigheid van een aangezochte kampmeester op eigen initiatief verrichten, als zij die daartoe door een afdelingsbestuur zijn aangezocht, zijn gedurende de uitoefening van hun taak functionaris van het afdelingsbestuur dat het terrein beheert.

Art. B.4.5. Degene die een tocht uitschrijft wijst een leider aan.
Indien in het kader van een tocht gekampeerd wordt op een terrein van de NTKC wordt vooraf door het afdelingsbestuur, op verzoek van en in overleg met degene onder wiens verantwoordelijkheid de tocht plaats vindt, vastgesteld hoe de kampmeesterstaken worden verdeeld en welk lid als kampmeester de eindverantwoordelijkheid draagt. Bij deze berust de leiding van het gehele kamp.

Art. B.4.6. De kampmeester richt zich bij de uitoefening van zijn functie naar de bepalingen van de statuten, de reglementen en eventuele aanvullende kampregels.

Art. B.4.7. Ter herkenning plaatst de kampmeester een kampmeestersvlag (geel met een Zwarte K) bij zijn tent of caravan.

Art. B.4.8. De kampmeester kan zich voor de uitoefening van zijn taak, onder zijn verantwoordelijkheid, doen bijstaan door een of meer assistenten.

Art. B.4.9. Voor de kampmeester kan een plaats worden aangewezen. Zijn kampeermiddel dient bij voorkeur op een voor de uitoefening van zijn taak passende plaats te staan.

Art. B.4.10. De kampmeester heeft het recht kampeerders en bezoekers de toegang tot het terrein te ontzeggen c.q. deze van het terrein te verwijderen indien hij dit nodig acht ter handhaving van de orde of rust.

Art. B.4.11. Bij ernstige problemen in verband met het niet naleven van de clubcode of in het geval van ordeverstoring kan de kampmeester zich doen bijstaan door een kampraad van drie personen, bestaande uit door hem aan te wijzen, in het kamp aanwezige meerderjarige leden, waarbij aanwezige bestuursleden de voorkeur hebben.

Art. B.4.12. De kampmeester brengt bijzondere gebeurtenissen en eventueel wangedrag van deelnemers aan een kamp in eerste instantie schriftelijk ter kennis van het afdelingsbestuur dat het betrokken terrein in beheer heeft. Dit bestuur handelt de klacht af zoals bepaald is in het reglement voor de clubcode.

Art. B.4.13. Het hoofdbestuur geeft een handleiding voor kampmeesters uit, die relevante artikelen uit statuten en reglementen samenvat.

B.5. Slotbepaling

Art. B.5.1. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het hoofdbestuur.